De nieuwe jaarlijkse taks op effectenrekeningen

Gepubliceerd door IVV op

De nieuwe effectentaks werd onlangs goedgekeurd en is inmiddels in werking getreden. De Kamer van Volksvertegenwoordigers heeft immers op 11 februari 2021 een wetsontwerp goedgekeurd inzake “de invoering van een jaarlijkse taks op effectenrekeningen” (TERbis). De wet trad op 26 februari 2021 in werking. Deze nieuwe taks wordt opgenomen in “Titel X – Jaarlijkse taks op de effectenrekeningen” van Boek II van het “Wetboek Diverse Rechten en Taksen” (art. 201/3-201/9/5 WDRT).

In tegenstelling tot de “oude taks” op effectenrekeningen, die het Grondwettelijk Hof in zijn arrest van 17 oktober 2019 ongrondwettelijk verklaarde en vernietigde, blijkt de nieuwe TERbis volgens de Memorie van Toelichting louter een budgettair doel te hebben, en is het feit zelf van het aanhouden van een effectenrekening, het kernpunt van de nieuwe taks. De politieke ambitie werd opgegeven om, zoals bij de oude effectentaks en bij een eerste ontwerp van de nieuwe TERbis, specifiek “de sterke schouders” te belasten en de effectentaks uitsluitend aan te wenden voor de versterking van de sociale zekerheid. De Raad van State had immers de opmerking gemaakt dat, indien de effectentaks specifiek zou bedoeld zijn voor die personen met de grootste financiële draagkracht, de effectentaks mogelijks het gelijkheidsbeginsel zou schenden, met alle mogelijke gevolgen die hieruit voortvloeien (zoals een vernietiging van de wet door het Grondwettelijk Hof).

Door de opname in Boek II, Titel X van het “Wetboek diverse Rechten en Taksen” (“WDRT”) is de nieuwe effectentaks formeel gezien een bijkomende vorm van abonnementstaks, die zich aansluit bij de talrijke belastingen op financiële transacties die België al kent. Maar aangezien de nieuwe effectentaks geheven wordt op het bedrag van de gemiddelde waarde van de financiële instrumenten op een effectenrekening, is TERbis de facto een vorm van vermogensbelasting.

De belastingplichtigen

TERbis is een jaarlijkse belasting op het aanhouden van binnenlandse of buitenlandse effectenrekeningen door natuurlijke personen die fiscaal inwoner zijn van België. De plaats, binnen of buiten België, waar de effectenrekening wordt aangehouden, speelt dus geen enkele rol.

TERbis is tevens van toepassing op in België fiscaal gevestigde (1) vennootschappen die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting en (2) op rechtspersonen die onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting.

Ook “oprichters van juridische constructies” in de zin van de Kaaimantaks vallen binnen het toepassingsgebied van TERbis (nieuw art. 201/3, 8° WDRT).

Wordt de effectenrekening aangehouden door “niet-inwoners”, dus personen, vennootschappen, rechtspersonen of entiteiten die géén fiscaal inwoner van België zijn, dan treft TERbis enkel de effectenrekening die wordt aangehouden bij een Belgische “tussenpersoon” (bijvoorbeeld een in België gevestigde bank of beursvennootschap).

Welke rekeningen worden geviseerd?

Overeenkomstig het nieuwe art. 201/3, 3° WDRT wordt “een rekening waarop financiële instrumenten mogen worden gecrediteerd of gedebiteerd” als effectenrekening aanzien. Deze rekening moet, wat inwoners betreft, aangehouden worden bij een tussenpersoon (ongeacht waar deze gevestigd of opgericht is) en wat niet-inwoners betreft, aangehouden worden bij een Belgische tussenpersoon.

Effecten op naam, die niet op een effectenrekening staan, ontsnappen aan de heffing.

Effectenrekeningen van Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen, zoals bedoeld in art. 229 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, vallen onder het toepassingsgebied indien deze rekeningen deel uitmaken van het bedrijfsvermogen van de inrichting en worden aangehouden bij een tussenpersoon (ongeacht waar deze tussenpersoon gevestigd of opgericht is).

TERbis is verschuldigd op de gemiddelde waarde van de belastbare “financiële instrumenten” op de effectenrekening, ongeacht het soort van financiële instrumenten dat wordt aangehouden (obligaties, aandelen en andere afgeleide producten), en tevens op de gemiddelde waarde van de “geldmiddelen” die op de rekening staan.

TERbis geldt wel enkel indien de gemiddelde waarde van de op de effectenrekening aangehouden financiële instrumenten méér dan 1 Mio euro bedraagt. Deze waarde wordt berekend gedurende een bepaalde referentieperiode (een periode van twaalf opeenvolgende maanden die aanvangt op 1 oktober en eindigt op 30 september van het volgende jaar). Tijdens de referentieperiode gelden een aantal “referentietijdstippen” (31 december, 31 maart, 30 juni en 30 september) waarop de rekeningstanden worden vastgesteld, om vervolgens de gemiddelde belastbare grondslag vast te stellen gedurende de referentieperiode.

Tarief

Op de gemiddelde waarde van de waarden op de effectenrekening geldt een effectentaks tegen een tarief van 0,15 %. Voor alle duidelijkheid, eens de effectenrekening de minimumdrempel van 1 Mio euro overschrijdt, is het gehele bedrag op de rekening belastbaar (dus niet enkel het deel boven 1 Mio euro).

Het bedrag van de taks wordt beperkt tot 10 % van het verschil tussen de belastbare grondslag en het drempelbedrag van 1 Mio euro.

De wetgever wil op die manier vermijden dat de heffing van TERbis aanleiding geeft tot een daling van de gemiddelde waarde van de effectenrekening onder het drempelbedrag van 1 Mio euro. Bij gebrek aan dergelijke maatregel zou een effectenrekening van 1.000.001,00 euro worden belast met 1.500,00 euro, waardoor de waarde zou dalen tot 998 501,00 euro. De begeleidende maatregel zorgt ervoor dat in dit voorbeeld de TERbis wordt beperkt tot 0,1 euro, namelijk 10 % van het verschil tussen de gemiddelde waarde van de effectenrekening (1.000.001,00 euro) en het drempelbedrag van 1 Mio euro.

Praktisch – inhouding en betaling

Indien de effectenrekening door een Belgische tussenpersoon wordt aangehouden, is deze verantwoordelijk voor de inhouding, de aangifte en de betaling van de taks voor rekening van de eigenaars van deze effectenrekening. De betaling van TERbis door de tussenpersoon werkt bevrijdend voor de titularis(sen) van de effectenrekening.

Indien de effectenrekening in het buitenland wordt aangehouden, kan de buitenlandse financiële tussenpersoon door middel van een erkende aansprakelijk vertegenwoordiger in België, instaan voor de diverse fiscale verplichtingen (aangifte en betaling van de taks). Bij gebreke aan een dergelijke actie door de buitenlandse tussenpersoon, is het de in België verblijvende of gevestigde belastingplichtige die zelf de nodige stappen zal moeten zetten voor de aangifte en de betaling van de TERbis-heffing.  

Antimisbruikbepaling

Bij de invoering van TERbis, werd tevens een nieuw art. 202 WDRT ingevoerd in het Wetboek diverse Rechten en Taksen, met daarin een algemene antimisbruikbepaling. Deze antimisbruikbepaling houdt een “weerlegbaar” vermoeden van misbruik in, gelijkaardig aan de antimisbruikbepalingen in art. 344, § 1 WIB92 en art. 18 § 2 van het wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten. Dit vermoeden geldt telkens wanneer de belastingplichtige op een ongeoorloofd geachte wijze (“in strijd met de doelstellingen van de wet”) de effectentaks wil ontwijken. Het gaat hier evenwel om een “weerlegbaar” vermoeden van fiscaal misbruik, waarbij de belastingplichtige steeds het recht behoudt om aan te tonen dat er andere redenen dan louter fiscale, aan de grondslag van zijn handelen liggen (bijvoorbeeld een bepaalde investeringsbeslissing waardoor hij besluit te gaan beleggen in andere activa dan diegene die onder de effectentaks vallen).

In de nieuwe TERbis-wetgeving (art. 201/4, laatste lid WDRT) worden nog een tweetal specifieke gevallen vermeld waarbij fiscaal misbruik aanwezig wordt geacht, wat alsnog leidt tot de heffing van de effectentaks:

  • het splitsen van een effectenrekening in meerdere effectenrekeningen aangehouden bij dezelfde tussenpersoon;
  • de omzetting van belastbare financiële instrumenten, aangehouden op een effectenrekening, naar financiële instrumenten op naam.

Wat met vastgoed?

Vastgoedcertificaten op een effectenrekening vallen ook onder het toepassingsgebied van TERbis, aangezien dit eveneens financiële instrumenten zijn. Nochtans waren gestructureerde producten zonder 100% kapitaalgarantie onder de oude effectentaks niet belastbaar.

Uiteraard, indien de belastingplichtige tegoeden van de effectenrekening haalt om deze vervolgens te beleggen in vastgoed, is een dergelijke investeringsbeslissing aan de fiscus tegenstelbaar en kan men dus op een eenvoudige wijze de heffing van TERbis vermijden. Men beschikt immers (afhankelijk van de concrete cijfers van de effectenrekening) mogelijks niet langer over een effectenrekening die de minimumdrempel van 1 Mio euro haalt.

Wat met verzekeringen en de effectentaks?

De wet voorziet in een vrijstelling voor effectenrekeningen die door financiële instellingen (zoals verzekeraars) voor eigen rekening worden aangehouden (art. 201/4, vierde lid WDRT).

Deze vrijstelling geldt dan weer niet voor die gevallen waarbij een derde “enig rechtstreeks of onrechtstreeks vorderingsrecht” heeft dat verbonden is aan de waarde van de effectenrekening. Volgens de Memorie van Toelichting (MvT, 14) impliceert dit “dat effectenportefeuilles die worden aangehouden door verzekeringsinstellingen in het kader van met een verzekeringnemer afgesloten zgn. Tak 23-verzekeringen, wel onder de toepassing van de taks vallen, aangezien het aanhouden van een portefeuille middels een Tak 23-verzekering en een er achterliggende effectenrekening een volledig substituut uitmaakt voor een direct aangehouden effectenrekening”.

Deze gelijkstelling geldt nochtans enkel ter bepaling van het toepassingsgebied van de nieuwe TERbis (“wie valt onder de wet?”) en niet voor de andere toepassingsvoorwaarden van de wet (“welke effectenrekening wordt in concreto belast?”). Dit heeft tot gevolg dat de drempel van 1 Mio euro wordt bepaald op het niveau van de effectenrekening die de verzekeraar aanhoudt, en niet op het niveau van ieder individuele Tak 23-contract dat een verzekeringsnemer bij de verzekeraar aanhoudt.

Het is evident dat de collectieve effectenrekeningen die door verzekeraars worden aangehouden, de minimumdrempel van 1 Mio euro bijna altijd zullen overschrijden. Bij de latere doorrekening van de TERbis-heffing aan de individuele Tak23-klanten, zijn deze individuele klanten dan finaal toch degenen die de TERbis-heffing zullen dragen.

Tak21-polissen blijven wel buiten het toepassingsgebied van de nieuwe TERbis.

Categorieën: Nieuws

IVV

Het IVV is een kenniscentrum en contactenplatform die haar leden begeleidt bij hun vastgoedinvestering.